Het is niet altijd eenvoudig om buren te hebben, hoe tolerant we ook lijken. Zeker als de relatie tussen buren of omwonenden niet soepel loopt. Zo ook een situatie waar buren last hebben van het houden van en het gebruik van een paardenbak, waarbij de paarden regelmatig door derden worden bereden. Daarnaast is sprake van stankoverlast door mestopslag en is er geluidsoverlast van geloop en gehinnik van de paarden. Een van de buren houdt een aantal paarden en laat deze hobbymatig trainen door derden. Door extreme droogte en een verbod op sproeien kregen buren bij tijd en wijlen last van opwaaiend fijnzand vanuit de paardenbak. Vanwege deze hinder doen de buren een verzoek tot handhaving bij de gemeente.
Team Handhaving van de gemeente onderzoekt de hinder en een ambtenaar adviseert om handhavend op te treden en de eigenaar van het perceel te gelasten om de paardenbak te verwijderen en natuurlijk verwijderd te houden. Het college wijst het handhavingsverzoek tegen het gebruik van het perceel voor het houden van paarden af. Het college stelt zich hierbij op het standpunt dat het hobbymatig houden van paarden in beginsel in overeenstemming is met de woonbestemming. De buren accepteren dit niet en zoeken hun heil bij de bestuursrechter.
De rechtbank stelt dat sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, omdat de paardenbak structureel door een derde wordt gebruikt en verzoekt het College een nieuw besluit te nemen. De paardenhoudende buur gaat in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak buigt zich over de vraag of het houden van paarden in dit geval verenigbaar is met de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’. In het bijzonder is bepalend of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van het perceel voor paarden, gezien zijn aard, omvang en intensiteit van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de door de planwetgever aan het perceel gegeven woon- en tuinfunctie.
Tijdens de zitting is gebleken dat er maximaal vier eigen paarden gehouden worden. Daarbij moet geconcludeerd worden dat het hobbymatig houden van paarden past bij de omvang van het perceel en bij de aard van de buurpercelen. De volgende vraag is dan of het berijden van de paarden door een derde aangemerkt moet worden als bedrijfsmatig gebruik. De Afdeling overweegt dat de in de planregels opgenomen voorwaarde “eigen hobbymatig gebruik van de bewoners van de woning” alleen ziet op het realiseren en gebruiken van de paardenbak. Deze voorwaarde geldt niet voor het overige gebruik van het perceel, namelijk het hobbymatig houden van paarden. Op de vraag of dit past binnen de bestemming moet beantwoord worden aan de hand van de aard, omvang en intensiteit van het gebruik. Het feit dat de paardenbak door een derde structureel wordt gebruikt en daarmee niet voldaan wordt aan de in de planregels opgenomen voorwaarde, maakt niet dat geen sprake meer zou zijn van hobbymatig gebruik dat past bij de woon- en tuinbestemming.
